Op weg naar ‘de mooiste stranden van Noorwegen’ kwamen we langs Selje, een middelgroot dorp aan een fjord. Echt bijzonder is het dorpje niet, maar het eiland nabij Selje des te meer. In de 12e eeuw stichtten Benedictijner Monniken hier het St-Sunniva klooster, inmiddels een van de best bewaarde ruïnes van Europa. We maken kennis met een bijzonder verhaal van een bijzondere plek. 

Het toeristencentrum verkoopt kaartjes voor de overtocht naar het klooster, maar met het juiste weer is het eiland ook goed zonder motorboot bereikbaar. Wij besluiten, net als de pelgrims honderden jaren geleden, op spierkracht naar het eiland te varen. In de plaatselijke haven laten we de kano te water en beginnen we aan de tocht. Het waait niet hard en de tocht verloopt soepel. Bij het klooster zit een steiger waar aangemeerd kan worden. Wij varen echter naar de hoofdhaven van het eiland en beginnen aan een ongeveer 45 minuten durende wandeltocht.

Een informatiebord bij de haven geeft de route en bezienswaardigheden aan. We maken een foto van het bord en proberen op de aangegeven plekken wijzer te worden van restanten die we zien, (of proberen te zien) zoals funderingen van oude gebouwen, muurtjes en grasvlaktes waar ooit iets heeft gestaan.

We lopen langs de oude haven van het eiland, waar pelgrims met roeiboten aanmeerden voor een bezoek aan het klooster. Het voelt bijzonder om een pad te bewandelen waar honderden mensen, -honderden jaren geleden ook al liepen. Op sommige plekken laat de weg zelfs stukjes van het originele stenen pad zien.

Het makkelijke maar zeer drassige pad leidt ons door weilanden, over rotsen en langs de kust. Zo nu en dan worden we verrast door kleine watervallen, beekjes en prachtige uitzichten. Net als we ons afvragen waar het klooster is komt hij na de bocht in zicht. Een indrukwekkende ruïne met in het midden een grote, robuuste klokkentoren.

Het klooster bestaat nu nog slechts uit ongeveer 1,5 meter hoge (en 1 meter dikke), zeer bijzonder gestapelde muren en een (geheel gerenoveerde) klokkentoren, welke begaanbaar is. We betreden de toren en ontdekken een kleine opening in de muur waarachter zich een smalle wenteltrap bevindt. De toren bestaat uit 3 verdiepingen waarvan de bovenste de kerkbel draagt. Op de begane grond vinden we een oude plattegrond van het klooster waar we uit opmaken dat er onder andere een stal, een kookplaats, een binnentuin en een kloostertuin was.

Het wordt ons al snel duidelijk waarom de monniken besloten om zich hier te vestigen. De plek voelt magisch. Met het oneindige uitzicht over zee en beschermende bergen in de rug ben je volledig afgeschermd van de buitenwereld. Een leven afhankelijk en onderhevig aan de grillen van de natuur.. Iets wat niet makkelijk moet zijn geweest. Inmiddels wordt de ruïne bewoond door een grote kudde schapen, maar het is niet moeilijk om je een leven voor te stellen binnen de kloostermuren.

De mooie locatie is echter niet de (enige) reden dat de monniken zicht besloten hier te vestigen. Tegen de berg, achter het klooster, loopt een oude, stenen trap. De trap loopt, langs de funderingen van oude gebouwen, naar de ingang van een grot. Het verhaal gaat dat een Ierse Prinses (Sunniva) haar toevlucht zocht in de grot om te ontkomen aan een huwelijk met een heidense hoofdman. Tijden later werd Sunniva benoemd tot de beschermheilige van West-Noorwegen, de reden dat de benedictijnse monniken hier het St-Sunniva Klooster stichtten.