Halvikhula is een van de grootste grotten van Europa en ligt nabij Osen, een klein plaatsje aan de kust in Noorwegen. Onder de locals is de grot al jaren bekend maar daarbuiten weten maar weinig mensen van zijn bestaan. Veel toerisme is er niet, mede doordat de grot via land vrijwel onbereikbaar is. Vooral dit laatste sprak ons erg aan. Het was hoog tijd om een grot toe te voegen aan ons ‘lijstje met mooie dingen’.

Halvikhula is het best te bereiken via zee. Vanuit de haven van Vingsand is het een tocht van ongeveer 4 kilometer varen langs de kust. Vandaar is het nog een korte maar intensieve klim voor je bij de grot aankomt. Hoewel het geen lange rit is vaar je toch op zee, goed weer is dus gunstig. We hadden geluk: blauwe luchten en vrijwel geen wind. Er was geen golfje te zien.

We lieten onze Ally Kano te water en voeren de haven uit. Met de boot laat je de menselijke drukte al snel achter je. We kwamen terecht in een rijk dierenleven: Vissen zwommen onder de boot door, meeuwen vlogen over ons heen en schapen blèrden naar ons vanaf de kant. De mond van de grot (in de vorm van de oog van een naald) kwam al snel in zicht.

We meerden aan bij een prachtig geel zandstrand. We knoopten de kano vast aan een boompje en liepen met onze backpack richting de grot. Er is een pad, maar deze is vanaf het strand niet zichtbaar. Met het oog van de naald als uitgangspunt vonden we vanzelf een weg. Na een klim door heide, bomen, en over grote brokken steen kwamen we in de grot aan.

Onze inspanning werd meteen beloond door een fantastisch uitzicht over zee. De kleuren en het geluid wordt versterkt door de donkere randen en de holte van de grot, alsof je toeschouwer bent van een prachtig schouwspel. Binnen is het koel en hol. Het weer heeft geen invloed hier. De vloer is bezaaid met honderden voetstappen van voorgaande bezoekers.

Na het eten probeerde Wouter te boulderen (kleine stukjes klimmen zonder touw). Op een plat stuk rolden we onze matjes en slaapzakken uit. Een bizar en onbeschrijfelijk gevoel, proberen te slapen in zo’n immens grote, stenen holte. Inmiddels hadden de wolkenknotjes (kleine, prikkende mugjes) ons ook gevonden. Wouter werd gezien als een heerlijke maaltijd, waardoor we uiteindelijk tocht maar besloten de tent op te zetten. De volgende ochtend werden we gewekt door het gemekker van de schapen, dat als versterkt de grot binnendrong.

Het was wederom prachtig weer, hoewel de wind die nacht behoorlijk was toegenomen. De zee was veel onstuimiger dan de dag ervoor. Onze Ally is eigenlijk een zoetwaterkano en daarmee minder geschikt voor de golven van de zee. Tijdens onze klim omlaag bekeken we alvast de beste route om terug te varen. Toen we terugkwamen op het strand vingen we (net als op de heenweg) een glimp op van het vele plastic in de zee. Een grote hoeveelheid was aangespoeld. Een doorn in ons oog. We hielden een korte opruim-sessie. In korte tijd lag het strand er weer strak bij en begonnen we aan de terugtocht.

Kleine eilanden blokkeren op verschillende plekken de open zee. Hier zijn de golven aanzienlijk lager. Op de open stukken peddelden we goed door om zo snel mogelijk in de haven terug te komen. Op zee, al is het aan de kant, stelt zo’n klein bootje niets voor. Eenmaal in de haven drukten de golven en de wind ons naar de steigers en knoopten we de kano weer op het dak.